foto Wim Vanseveren
in de media

Speech Wim Vanseveren tijdens 2de Kinderkunstendag (14/11/2011) |terug|

Ik vraag me soms af waarom de belangrijkste zaken uit ons leven zo zelden op ons CV staan. Toen ik tiener was, wist ik zeker dat die 15 Chiro-jaren mijn leven altijd positief zouden inkleuren. Dat is alvast één jeugdwijsheid die overeind bleef. Maar waarom heb ik dat nooit in mijn CV gezet? En waarom hoor ik dat nooit bij sollicitaties?

Hetzelfde voor onderwijs: de beste lessen kreeg ik buiten de uren, de beste leraars had ik buiten de muren.

Maar het begon bij mijn moeder. Wie een halve eeuw geleden in West-Vlaanderen katholiek was en van gewone komaf las Het Volkske. En daarin stond dagelijks de strip van Jommeke. Later verguisd als reactionair, maar dat waren de jaren zeventig; ik was al oud toen, wel twintig jaar! Hier ben ik drie, het is 1959 en ik heb een ritueel. Als mijn moeder de krant neemt, kruip ik op haar schoot en ik wijs de tekeningetjes aan. Mijn mama vertelt wat er met Jommeke gebeurt die dag en met zijn papegaai Filip en de schurk Anatool en de Koningin van Onderland, waarvan ik droom 's nachts, van haar scherpe neus. Maar hier kan mij niets gebeuren, want alles staat stil: ik wijs de plaatjes aan en mijn moeder vertelt en de wereld wordt prettig warm. En later, toen ze al ziek was, mijn goede moeder, enkele jaren geleden, vertelde ze dat ze wel eens moe was en een prentje oversloeg en dat mijn kleine vingertje dan vroeg wat er op die tekening stond.

Toen ik Dag Sinterklaas produceerde, nu bijna 20 jaar geleden, bracht een kind van zes dat ritueel in volle helderheid terug. Ik had zeven jaar een cultuurcentrum gerund en was theaterzalen gewend maar plots hing daar dat glazen televisiegordijn tussen mij en de kijker. Thuis had ik drie kinderen in de doelgroep, maar wie zei me dat ze representatief waren? Dus trok ik naar de scholen om 'Dag Sinterklaas' uit te testen. Een jongetje van zes ontsloot mijn horizon, met het mooiste wat ik ooit hoorde over kindertelevisie: "Het is nog veel mooier als het buiten slecht weer is." Hij leerde me dat televisie zowel een objectief programma is als een subjectieve beleving. En dat het ging om dat laatste. Maar eigenlijk wist ik dat al, van toen, bij mijn moeder.

De band draait verder, Tielt 1965 en daar verschijnt meester Vandamme, derde leerjaar. Hij was plastisch kunstenaar, maar wat nog belangrijker was: hij had een kunstenaarsziel, want ik, ik kón niet schilderen. Wat hij wou zeggen, kon hij tekenen maar ik was onhandig, toen al, geen fijne motoriek, er stokte iets tussen het beeld dat ik zo helder in mijn fantasie zag en wat mijn knoeiende vingers er van brouwden. Onmacht, en vlekken vaak, zo slordig. En het ergste was nog vazen, die er bij de andere kinderen zo Spartaans evenwichtig uitzagen, met twee keurig gelijke delen. Bij mij was het alsof iemand er van twee één had willen maken, van twee in stukken gevallen exemplaren bovendien. Ik, met mijn kansarme vaasjes.

Meester Vandamme had ook iets in mijn rapport geschreven, waar mijn ouders moesten om lachen, iets met een ongrijpbaar woord wat ze me moeilijk konden uitleggen. Pas later heb ik het gesnapt; soms draag ik het als een geuzennaam. Misschien had het te maken met die ene keer, die hele enkele keer in mijn godganselijke leven dat ik bij plastische opvoeding het mooiste werk van de klas had gemaakt en dat mocht ik zelf vooraan aan het bord komen hangen.

Wat zeg ik: het ging de school rond en iedereen zei : 'Wat flink toch van die Wim Vanseveren, had jij dat nu gedacht, dat daar een kunstenaar in school?'. Er werd zelfs een spandoek van gemaakt, helemaal uitvergroot 40 meter bij 30, dwars over de markt van Tielt, de mensen stonden bij bosjes stil en iedereen zei hoe knap dat wel van me was. En hoe kwam dat? Wel, van meester Vandamme moesten we geen huis tekenen, geen bos schilderen, laat staan een vaas, maar we mochten een collage maken met allemaal kleuren en we moesten die zelf uitscheuren in tijdschriften. En scheuren, dààààt kon ik, schots en scheef als geen ander en mijn giraffe zie ik nog altijd gaaf zijn en krom en kleurrijk, zoals ze daar te pronken hing aan dat bord.

Dat van de school rond en die markt en dat spandoek, daar durf ik geen eed op doen. En dat houdt dan weer verband met wat meester Vandamme in mijn rapport schreef en waar mijn ouders wat stil over waren. "Wim leeft in een wereld van fantasie" stond er. En mijn vader glimlachte en hij zei dat ik toch goed mijn best moest doen.
Het beeld zoomt naar 1970. Ik ben veertien, het is woensdagochtend en ik ga naar school. Plots steekt een man de straat over, een man die ik ken: hij geeft Nederlands een jaar hoger. " Zeg, heb jij geen zin om dictie te volgen? " De rest weet ik niet zo precies meer, alleen dat ik vroeg wat dictie was. Dictie? Dat zou ik wel zien, morgen, als ik naar de 'Muziekschool' kwam; ik moest maar eens proberen.

Ik ben blijven gaan, elke week. En mijn leven zou totaal anders geweest zijn was ik niet gegaan. Of beter: was die man de straat niet overgestoken.

Het was ook niet zomaar een man. Hij was niet alleen leraar Nederlands, maar ook docent voordracht en directeur van theater Malpertuis. Herman Verschelden, een hardnekkige Waaslander, aangespoeld in Tielt, waar hij zijn Vossenhol maakte. Ik groet hem vanaf hier, nu ik voorzitter ben van het theater dat hij stichtte en wij met diezelfde hardnekkigheid in een andere tijd andere dingen maken, in datzelfde theater.

Wat deze leraar toen al zo bijzonder maakte, was dat hij nauwelijks les gaf. Althans: niet zoals dat toen de gewoonte was. Ik heb vooral veel opgestoken van die talloze uren dat hij vertelde over theater of doorboomde over dichters. En op het einde van het schooljaar, toen hij met al zijn leerlingen dagenlang in zijn theater werkte aan een poëtisch totaalspektakel. Het gevolg was dat ik ongeveer alle dichtbundels gelezen heb die de toenmalige bibliotheek bezat. Zoals Blaise Pascal zei: "Les geven is geen vaas vullen, maar een vuur aansteken."

Zonder dat wekelijkse literatuurbad had ik nooit Germaanse gestudeerd, was ik later nooit directeur geweest van een cultuurcentrum, zou ik nooit bij de VRT begonnen zijn.

Of ik dan nergens spijt van heb? Ja, dat ik nooit muziek volgde – puur een kwestie van tijd, want er was ook jeugdbeweging en sport. Achteraf bekeken had ik wél muziek kunnen studeren, was ik er vroeger mee begonnen. Tenslotte heb ik in het gangbare onderwijs enkel de basis gekregen van wat ik dagelijks beroepshalve nodig heb: enig denkvermogen, een stuk of wat talen, een beetje sociale kennis. Doorzettingsvermogen leer je door sport. En voor organisatiezin en sociale omgang is de jeugdbeweging de beste training. Achteraf bekeken kwam de meeste meerwaarde van elders: de liefde voor het woord, de voeling voor een scène, de sprakeloze taal van een perfect beeld.
Ik zou dan ook nooit meer wachten tot mijn veertiende om naar de Academie te gaan. Je weet maar nooit dat een onmisbare man het vertikt om de straat over te steken.


Wim Vanseveren
2e Kinderkunstendag
14 november 2011